De kracht van inbreiding: hoe buurtgerichte verdichting een nieuwe dynamiek teweegbrengt in steden en gemeenten

Door de bevolkingsgroei en demografische ontwikkelingen kampt België nog steeds met een groot woningtekort. Tegelijk slinkt de bouwoppervlakte, waardoor de focus steeds vaker verschuift van de rand naar het centrum. Uitbreiding maakt met andere woorden plaats voor inbreiding: verlaten, onderbenutte of verwaarloosde plekken in de stad worden nieuw leven ingeblazen, in harmonie met het bestaande weefsel. Een evolutie die aanzienlijk ruimtelijk rendement oplevert, maar ook kansen biedt om kwalitatieve, leefbare woonsituaties te creëren die mensen maximaal verbinden met elkaar en de omgeving. “Door op een evenwichtige en buurtgerichte manier te verdichten, versterk je de kern”, benadrukken Xavier Callens en Joost Robignon van architectenbureau B2Ai.

Veel steden en gemeenten kampen met leegstand. Inbreiding maakt het mogelijk die verwaarloosde gebieden terug betekenis geven. Hoe kunnen dergelijke projecten bijdragen aan de leefbaarheid in een stad of gemeente?

Xavier Callens: “Vaak gaat het om locaties waar vroeger een bepaalde bedrijvigheid aanwezig was. Plekken die belangrijk waren voor de buurt en nog altijd in het collectieve geheugen zitten. Alleen zijn ze na verloop van tijd verlaten of verwaarloosd geraakt. Door er een nieuwe invulling aan te geven, kan je die gebieden heractiveren en weer doen opleven. De woningnood opvangen is één ding, maar je moet dergelijke sites vooral terug op het hoger niveau van de stad krijgen. Dat doe je in de eerste plaats door ze op intelligente wijze te verbinden met het centrum. In onze concepten vormen groene publieke verbindingen dikwijls de ruggengraat van een masterplan. Vaak is dat een autoluwe, doorwaadbare as, gericht op fietsers en voetgangers die aansluit op het bestaande weefsel en zo een fysieke verbinding maakt met de bredere omgeving. Een mooi voorbeeld hiervan is Kwartier 51, de herontwikkeling van de voormalige kazerne in Damme (Sijsele).”

“Verlaten plekken heropleven doe je door ze slim te verbinden met het stadscentrum.”

Joost Robignon: “Die bestaande sites zijn vaak grijze zones of blinde vlekken. Door ze open te werken en via een fijnmazig netwerk te connecteren met het centrum krijg je ook daar weer meer beweging en dynamiek. Tegelijk wordt de site zelf ingezet als ontmoetingsplaats voor buurtbewoners en passanten. Er zijn rustzones, speeltuinen, ruimtes om samen te komen, enzovoort. Het leven verplaatst zich met andere woorden weer naar de straat, zoals vroeger. Onze maatschappij is nog altijd sterk gericht op het individu. Inbreidingsprojecten bieden opportuniteiten om het gemeenschapsleven te stimuleren en mensen te betrekken op elkaar. Het integreren van een divers programma speelt daar uiteraard ook een belangrijke rol in. Door verschillende woningtypes naast elkaar te laten bestaan, bevorder je de sociale cohesie en geef je een plek echt terug aan de buurt.”

Het belang van voldoende publieke ruimte betekent ook extra aandacht voor natuur, biodiversiteit en regenwaterbeheer?

Xavier: “Absoluut. Het gaat om de fysieke verweving van site en omgeving, maar ook om de verbinding tussen mens en natuur. Onze ontwerpstrategieën kaderen altijd in een groter ruimtelijk idee. De verharding terugdringen is een van de belangrijkste aandachtspunten van vandaag. Elk project biedt een kans om daaraan bij te dragen. In de omgevingsaanleg wordt er zoveel mogelijk gekozen voor groenaanleg en waterdoorlatende verharding. In Oostakker werken we momenteel aan een nieuwe wijk met een 120-tal woningen. Twee derde van het domein wordt gebruikt als – overwegend groene – publieke ruimte. Het groen wordt er echt ingezet als hefboom om de nieuwe wijk te realiseren en takt aan op een bestaande groene as. Er is een doordacht groenplan uitgewerkt dat meer zuurstof, schaduw en biodiversiteit brengt. Daarnaast worden er wadi’s voorzien om het regenwater op te vangen en wordt een bestaand bos heringericht als speelbos.”

“Elke nieuwe wijk is een kans om verharding terug te dringen en natuur centraal te zetten.”

Joost: “De Stokerie in Kortrijk is een ander goed voorbeeld. Oorspronkelijk was dat een compleet verhard en volgebouwd woonblok. Die verharding heeft nu plaats gemaakt voor een aaneenschakeling van private en collectieve tuinen die uitgeven op een groen park in het hart van het domein. De groenaanleg stimuleert daarbij de graduele overgang van privé naar publiek. Als bewoner wandel je van je eigen terras naar een semipublieke parktuin om uiteindelijk via de poorten de omliggende straten te bereiken. Je woont er midden in de stad, maar evengoed is het mogelijk je terug te trekken in je eigen groene cocon.”

Een kwalitatieve publieke ruimte vereist ook een slim mobiliteitsplan. Hoe ga je daarmee om, aangezien heel wat infrastructuur vaak al aanwezig is?

Xavier: “Een van de belangrijkste en meest vanzelfsprekende aandachtspunten op dat vlak is dat de auto zo veel mogelijk geweerd wordt. Vaak gaat het erom samen met de stad te bekijken wat de mogelijkheden zijn en goede afspraken te maken. Op bepaalde sites is het mogelijk gebruik te maken van nabijgelegen parkeergelegenheid op wandelafstand. In het project Green C in Oostende wordt de parking van het voormalig ziekenhuis hergebruikt. Dat levert minder afbraak en grondverzet op, wat op veel vlakken ook nog eens CO2-winst oplevert tijdens de werken zelf.  De context goed begrijpen, is essentieel om tot goede ideeën te komen.”

“Slim hergebruik van bestaande parkeerplekken weert de auto en versterkt de stad.”

Joost: “Er moet natuurlijk altijd een bepaalde vorm van bereikbaarheid zijn, maar je moet wagens zo snel mogelijk weghalen uit de omgeving. In Oostakker worden auto’s de facto naar een ondergrondse parking geleid, waardoor je nagenoeg geen enkele wagen op het terrein zelf ziet. En natuurlijk wordt het gebruik van de fiets gestimuleerd. Door voldoende fietsenstallingen te verspreiden over het terrein, maar ook door aan te takken op bestaande netwerkinfrastructuur. Meer en meer worden individuele parkeerplaatsen beperkt en worden deelwagens als alternatief gebruikt.”

Een evenwichtige openbare ruimte is één ding. Maar een buurt vereist ook een zekere densiteit. Hoe verzoen je die twee met elkaar?

Xavier: “Het ene sluit het andere niet uit. Eigenlijk versterken ze elkaar. Door inbreiding kan je de woondichtheid opvoeren, maar dat betekent allesbehalve dat je een site moet volbouwen. Het gaat er vooral om intelligente keuzes te maken en te onderzoeken hoe je de bestaande ruimte beter kan benutten. Als we bouwen gebeurt dat op de juiste plek door blokken slim en logisch te positioneren. Vaak gaan we uit van een atypische opstelling. In het Eilandpark in Sint-Lievens-Houtem bijvoorbeeld wordt de bouwlijn van de straat niet gevolgd. Daar is orthogonaal gewerkt op de bouwlijn om meer open ruimte te creëren en de doorgang naar het achterliggende park te vrijwaren. De meergezinswoningen zijn ook verdeeld over twee bouwzones rond een collectieve tuin. Elke woning heeft een eigen buitenruimte met grote loggiaterrassen die als het ware een extra leefruimte vormen. Tegelijk zitten ze op de collectieve doorsteek, waardoor er interactie is met het publieke domein. Zo krijg je een bepaalde activiteit die anders verborgen blijft in de gebouwen.”

Joost: “We kiezen altijd voor een mix van typologieën. Veel projecten zijn een combinatie van verschillende soorten woningen, al dan niet verenigd met andere functies. Zo breng je een menselijke schaal in een project en wordt het veel sneller geabsorbeerd door de buurt. Neem Green C in Oostende. Dat bevat een keuze aan appartementen, stapel- en meergezinswoningen, die in verschillende groottes worden aangeboden. Samen met een aantal collectieve voorzieningen, waaronder bijv. volkstuintjes, krijg je een optimale sociale mix. Het is echt een soort dorp in de stad.”

“Met een mix van woontypes en functies bouw je geen project, maar een dorp in de stad.”

Xavier: “Momenteel zijn we bezig met het Stroopoort-project in Eeklo. Vanwege de erg stedelijke context is daar vooral gekozen voor verschillende types appartementen, in combinatie met andere functies zoals vrije beroepen en winkels. De architectuur van de nieuwe gebouwen gaat doelbewust de dialoog aan met het bestaande erfgoed. De site bevindt zich recht tegenover een kerk, die lang verscholen zat achter bebouwing en nagenoeg verdwenen was uit het stadsgezicht. Door de specifieke positionering en volumetrie van de nieuwe gebouwen zie je de kerk weer staan en wordt er een nieuwe doorsteek door het bouwblok gecreëerd die een achterliggende schoolsite verbindt met de Markt. Er wordt met andere woorden iets toegevoegd dat er eigenlijk al was: het onzichtbare is weer zichtbaar geworden.”

Hoe vertaalt die visie zich in de architectuur zelf?

Xavier: “Inbreidingsprojecten vereisen een laagdrempelige en herkenbare architectuur, gelinkt aan de bestaande context. Geen uit de band springende keuzes qua vormgeving en materialen, maar een gemoedelijke beeldtaal. Gebouwen met een eenvoudige logica en grote mate van authenticiteit, zodat ze zich op natuurlijke wijze integreren in de buurt. Natuurlijk streef je een bepaalde identiteit na, maar dat gebeurt vooral door details toe te voegen die iets te betekenen hebben. Denk aan een luifel waaronder je ook kan schuilen. Of een zitelement dat uitnodigt om buiten te komen en ontmoetingen te faciliteren. Dergelijke details geven de architectuur een individueel karakter, maar op een eenvoudige en subtiele manier.”

“Inbreidingsprojecten vragen om eenvoudige, herkenbare architectuur met authentieke details die uitnodigen tot ontmoeting.”

Joost: “Je werkt vooral voort op wat er al is. Het oorspronkelijke evolueert, maar verdwijnt niet. In de Stokerie zijn de oude meubelhallen geïntegreerd in het project, waardoor de site herkenbaar blijft. Door de witte poortgebouwen en overdekte doorgangen te combineren met roodbruine bakstenen woningen, wordt dat gegeven nog eens versterkt. Niet alleen de nieuwe bewoners, ook de mensen die er al wonen behouden zo voeling met de plek. Eigenlijk sluit dit aan bij wat we in het begin van het gesprek al vertelden: door de nieuwe invulling versterk je ook de sociale cohesie. Het is een project op mensenmaat, in harmonie met de bestaande context, waar mensen zich mee kunnen identificeren en zo sneller het gevoel hebben dat ze thuiskomen.”